QUEBEC, La Belle Province

Overzicht en geschiedenis

Quebec : bezienswaardigheden
andere provincies

~ ~ ~ ~

OVERZICHT

QUEBEC, ook genoemd La Belle Province, is de grootste provincie van Canada. Aangezien het de eerste Franse kolonie in Noord Amerika was, is de meerderheid van de bevolking van Franse afkomst en is de voertaal Frans.

Québec is de oudste provincie in Canada en werd in de jaren 1600 gekoloniseerd. De naam Québec komt van het Algonquin woord kebek, of "waar de rivier smaller wordt".

In 1867 trad Québec toe tot het Dominion of Canada. De hoofdstad is Québec City, en de grootste stad is Montréal. De bevolking bedraagt ca. 7,2 miljoen inwoners, of bijna een vierde van Canada, met een dichtheid van 5 per km2. Daarvan wonen ca. 3,5 miljoen in de metropool van Montréal, die daarmee de tweede grootste metropool is in Canada, na Toronto in Ontario.

De oppervlakte bedraagt 1,5 miljoen km2 (of zo'n 50 maal België...), en de bebossing bedraagt 55%. Het dierenrijk is vertegenwoordigd met zwarte beren en poolberen, kariboe's, elanden, herten, bevers, nertsen, marters, vossen en otters.

De belangrijkste rivier is de St Laurent, 1.300 kilometer lang, die de Atlantische oceaan verbindt met de Grote Meren. Vanaf Montréal is de rivier ongeveer 1 kilometer breed, maar voorbij Québec verbreedt ze enorm, en wordt een zee-engte van 40 kilometer breed, compleet met getijden. De rivier is bevolkt met walvissen, zeehonden en zalmen. Québec heeft enorme natuurlijke rijkdommen. In het noorden vindt men ijzer, goud, koper en asbest, waarvan Canada de grootste producent is.

map van Quebec

~ ~ ~ ~

GESCHIEDENIS

*** Lees meer over Pre-historische Amerikaans-Indiaanse Culturen ***

De Inuit bereikten Noord Québec rond 2000 BC. In 1000 BC kwamen de Algonquins van het westen en vestigden zich ten zuiden van de Inuit. Ze ontwikkelden hun eigen cultuur, die zo'n 2.000 jaar zou stand houden. In de jaren 1500 waren er drie indigene bevolkingen ; de Iroquois, de Algonquin en de Eskimo-Aleut.

In 1500 was Spanje het rijkste land van Europa, na de enorme goudvondsten in zuid-Amerika. De Franse koning François I wou dit voorbeeld graag herhalen, en in 1530 stuurde hij de ontdekkingsreiziger Jacques Cartier om het noordoosten van Noord Amerika te verkennen, op zoek naar goud en om het gebied voor Frankrijk op te eisen. In 1534 landde Cartier op het schiereiland Gaspé, het jaar nadien verkende hij de Golf van St Laurent en bereikte hij het Indiaanse dorp Stadacona (Québec), en Hochelaga (Montréal).

Frankrijk koloniseerde echter niet onmiddellijk het gebied, aangezien het in Europa in verschillende oorlogen verwikkeld was. Slechts 70 jaar later werden nieuwe verkenners uitgestuurd, namelijk toen de pelshandel zeer winstgevend werd.

In 1608 werd La Nouvelle France verder gekoloniseerd toen Samuel de Champlain een handelspost stichtte in de stad Québec, waar de Indianen hun pelzen konden ruilen. Champlain sloot bondgenootschappen af met de Huron, de Algonquin en de Montagnais, en beloofde hen militaire steun tegen hun vijanden, de Iroquois. Zo begon een bittere en bijna 100 jaar lange strijd tussen de Fransen en de Iroquois.

La Nouvelle France groeide aanzienlijk uit in de rest van de 17de eeuw, van de Hudson Bay in het noorden tot de Golf van Mexico in het zuiden, en van de St Laurent rivier tot de Rocky Mountains in het westen. De andere grootmachten zagen met lede ogen aan hoe Frankrijk actief was in bijna heel Noord-Amerika.

Alhoewel de winstgevende pelshandel wel veel Franse avonturiers aantrok, was het moeilijk om landbouwers aan te trekken. In 1628 richtte Kardinaal Richelieu, de eerste minister van Louis XIII, La Compagnie des 100 Associés op, die grote seigneuries kon verlenen aan personen die het land zouden ontwikkelen. Dezen zouden het verder verdelen, en landbouwers vinden die het zouden bewerken tegen een kleine vergoeding. Het streefdoel was 4.000 kolonisten te vinden op 15 jaar tijd. Dat mislukte echter en vóór 1650 keerde zowat 75 % van de kolonisten terug naar Frankrijk.

Na 1650 ontwikkelde de pelshandel zich nochtans sterk, en meer dan de helft van de immigranten bleef wel achter in de kolonie, meestal rond Québec of in nieuwe steden zoals Trois-Rivières (1634) en Montréal (1642). De kolonies Quebec en Montreal groeiden stevig uit, en door de controle over de St Laurent rivier konden ze tot diep in het binnenland handel drijven met de Indianen. Ze geraakten nochtans verwikkeld in vele gevechten met de Iroquois over de controle van de lucratieve pelshandel, en deze schakelden bijna heel de Franse handel met de Huron uit.

Aangezien de staatsinkomsten in gevaar kwamen, schafte Louis XIV in 1663 La Compagnie des 100 Associés af, en hij bracht La Nouvelle France onder de hoede (en in de portemonnee...) van de Franse kroon. Hij zond troepen om de Iroquois te bestrijden en stelde een lokale regeringsvorm in.

In 1670 wou Engeland ook zijn deel van de koek, en verleende het aan de Hudson's Bay Company een handelsmonopolie voor heel het gebied rond de Hudson Bay. Het gebied werd Rupert's Land genoemd en het werd verkend door deze maatschappij, gefinancierd door de Britten, maar op adviezen van Franse ontdekkingsreizigers. Tevens begon het de Irokezen op te ruien tegen de Fransen. Om zijn quasi monopolie op de pelshandel veilig te stellen, begon Frankrijk een serie forten te bouwen naar het westen toe. Gedurende 30 jaar werd er stevig gebakkeleid tussen Fransen en Iroquois, en in 1701 werd er eindelijk een vredesverdrag ondertekend.

Nadien begonnen de gevechten met Engeland om de controle over Québec, dat van strategisch belang was voor de pelshandel. Queen Anne's War (1702-1713) eindigde met het Verdrag van Utrecht, waarbij grote gebieden aan Engeland werden afgestaan ; het Hudson's Bay gebied, Newfoundland en Acadia (huidig Nova Scotia, New Brunswick, Prince Edward Island en delen van Québec en New England).

Tot 1750 bleef het relatief kalm en de rest van La Nouvelle France ontwikkelde zich verder, alhoewel er weinig nieuwe kolonisten bij kwamen. In Frankrijk zelf was er landbouwgrond genoeg en het land had veel soldaten nodig om zijn Europese oorlogen te voeren. In 1754 zag Engeland zijn kans schoon, en zat het er weer bovenarms op met de French and Indian War (1754-1763). In 1759 eindigde deze oorlog met de val van Québec en de capitulatie van Montréal. In 1760 controleerden de Engelsen heel La Nouvelle France. In 1763 stond Frankrijk met het Verdrag van Parijs heel La Nouvelle France af aan Groot-Brittannië.

De Britten wensten nieuwe Britse (en protestantse) kolonies in de voormalige Franse gebieden op te richten. Gezien de overgrote Franse meerderheid slaagde dat echter niet meteen, en intussen groeide de onrust ook aan in de dertien Amerikaanse kolonies van Groot-Brittannië. Om de (overwegend Franse..) bevolking toch te vriend te houden, werd er in 1774 een politiek compromis gevonden, the Québec Act, waarbij de meeste Franse maatregelen (o.m. de Code Napoléon) terug werden ingevoerd en het grondgebied weer werd uitgebreid.

Het gebied tussen de Mississippi en Ohio rivieren was namelijk aanvankelijk aan de Indianen afgestaan, wegens hun onmisbare steun in de oorlog tegen de Fransen, maar het was wel een zeer winstgevend pelshandel-gebied... Ook de dertien kolonies aasden op het gebied om precies dezelfde redenen, en deze Act droeg dus zeker zijn steentje bij tot de Amerikaanse Revolutie (1775-1783). In 1775 veroverden Amerikaanse troepen Montréal en belegerden ze de stad Québec. Ze kregen echter weinig steun van de inwoners, en het jaar daarop werden ze verdreven.

Na de Amerikaanse onafhankelijkheid in 1783 stroomden er vele Britse loyalisten toe uit de dertien kolonies, die onmiddellijk de afschaffing eisten van de Québec Act. Zij wensten een Britse wetgeving, een Brits verkiezingssysteem en Britse eigendomsrechten, in plaats van een Franse wetgeving. Dat zij enkel immigranten waren in een nieuw land, was voor de arrogante Britse Uebermensch-mentaliteit van geen enkel belang... Deze inwijkelingen waren echter meestal invloedrijke en zeer welgestelde Britse families met een zeer lange arm, zodat het Britse Parlement in 1791 een Constitutional Act uit zijn mouw schudde, met een Salomons-oordeel.

Hierbij werd Québec in twee kolonies opgesplitst : het voor het merendeel Britse Upper Canada (het huidige Ontario) en het voor het merendeel Franse Lower Canada (het huidige Québec). Nu ligt Québec geografisch wel hoger dan Ontario, maar de Britten wensten dat "hun" provincie "hoger" zou zijn dan de Franse, en in de politiek is de logica doorgaans ver te zoeken...

De Britten gaven elke kolonie nochtans wat lekkers. De Fransen kregen hun Seigneuries, de Code Napoléon en alle rechten van de katholieke kerk, en de Britten kregen een Britse wetgeving, het Britse eigendomsrecht en een Upper Class regering (i.e. alleen voor de rijken en de bureaucraten...). Beide kolonies kregen ook elk een Assemblée (wees gerust, dit was enkel voor de vorm, want de wetgevende en uitvoerende kamers werden volledig aangeduid door de Britse regering...).

In 1812 verklaarde de Verenigde Staten de oorlog aan Groot-Brittannië (1812 - 1815), en bezette het een tijdlang Ontario. Daarop verhuisden vele Engelssprekende kolonisten naar Montreal, en gaandeweg werd Québec City stilaan economisch verdrongen door het meer Engelstalige Montreal.

In 1834 vroeg de Patriot Party, onder leiding van Louis Joseph Papineau, een grotere inspraak voor de Franse Canadezen. Montréal was er tegen, aangezien zij een rem vreesden op hun economische ontwikkeling, en Groot-Brittannië weigerde enige macht af te staan. In 1837 ontstonden er massale rellen en opstanden. De Britten stelden de krijgswet in, en in 1840 werden beide kolonies weer samengevoegd, maar nu onder de naam Canada East en Canada West, in de hoop de Franse kolonisten te assimileren. Ook dit mislukte echter.

Uiteindelijk werd een federaal systeem voorgesteld, met afzonderlijke regeringen voor specifieke belangen, en een centrale regering voor gemeenschappelijke belangen.

Om beter hun economische en militaire belangen te verdedigen zochten de kolonies een grotere federatie van alle Britse kolonies. In 1867 stemde het Britse Parlement de British North America Act (of Constitution Act), waarbij the Dominion of Canada werd opgericht. Het bestond uit vier provincies: Québec, Ontario, New Brunswick en Nova Scotia.

De Confederatie gaf Québec de provinciale bevoegdheid om zijn (Franse) culturele eigenheid te behouden in onderwijs en wetgeving. Ook werd officieel de Franse taal aanvaard en het Frans Canadese nationalisme bevestigd, wat een toekomstige separatistische dreiging zou betekenen.

In 1885 was er een eerste opstoot bij de executie van Louis Riel, de leider van de Métis, een mengeling van de lokale Indianen en (meestal Franse) kolonisten. Voor de Britten was hij een rebel, voor de Fransen een verdediger van Franse waarden.

Tijdens de industriële revolutie ontstond er geleidelijk aan een patroon van Engelstalige bedrijfsleiders met Franstalige arbeiders. Na de uitbreiding van de confederatie met nieuwe (Engelstalige) provincies, vond Québec zich meer en meer geïsoleerd in de Britse federatie.

Tijdens de Boeren Oorlog (1899-1902) in Zuid-Afrika en Wereldoorlog I (1914-1918), waren de Franse Canadezen niet erg enthousiast met wat zij beschouwden als Brits imperialisme. Toen in 1917 de regering de verplichte militaire dienst instelde, kwamen in Québec slechts 60 % van de jongeren opdagen, en ontstonden er rellen in Montréal en de stad Québec. Gaandeweg werd de eigen Franse cultuur verder uitgebouwd tot een dankbaar politiek platform, en "Les Québécois" verhoogden de spanning tussen opeenvolgende federale en provinciale regeringen.

Québec sloot verschillende culturele en financiële verdragen met Frankrijk, en in 1967 bezocht Charles de Gaulle de provincie Québec. Tijdens een toespraak in Montréal lanceerde de Gaulle de inmiddels onsterfelijk geworden slogan "Vive le Québec libre". Hij vloog natuurlijk stante pede buiten, maar zijn toespraak vuurde de onafhankelijkheids-bewegingen nog aan, die zich verenigden in politieke partijen.

In 1968 werd Le Parti Québécois (PQ) opgericht, die er in 1977 in slaagde de verkiezingen te winnen. Op slag werd het Frans de officiële taal en werd meteen ook het gebruik van het Engels beperkt, zowel in de administratie, de rechtspraak, de scholen als in de werkplaats. Vele Engelsen verlieten daarop Québec. Nadien volgden nog twee referendums over de afscheiding van de provincie van de rest van de Canadese federatie. Twee maal werd een afscheiding slechts zeer nipt vermeden, zij het in 1995 met slechts één percent verschil !

~ ~ ~ ~